De onwilligen – Francis Smets

Naar aanleiding van de tentoonstelling “Moment” in CC Hasselt 2010. De tekst is opgenomen in de tentoonstellingscatalogus en later in het boek “Lof der onwennigheid” – Francis Smets, 2011, uitgever Deystere.

De onwilligen

Eerst is er een zekere lichtvoetigheid. De kunstenaar is onwillig om zich te tonen. Beurtelings naïef, kinderlijk, speels of geestig lijkt hij te zeggen: let maar niet op mij. Anders dan in Die Freiwilligen van Käthe Kollwitz wordt de grote trom niet geroerd. Al de ‘personages’ die de revue passeren – de maan, de sterren, een vogel, een olifant, een visser, een koorddanser, een bloem, een dag in november – zijn ‘onwilligen’. Verzameld vormen ze het naamplaatje van de kunstenaar. Ze groeten ons. Zij nemen nederig hun hoed voor ons af.
Ze wachten in stilte af tot wij hen willen leren kennen en ons in hun verhaal willen verdiepen. Want hier geldt: stille waters hebben diepe gronden.
Achter de schijnbare lichtvoetigheid opent zich een ganse wereld voor wie op zijn beurt bereid is zijn hoge hoed af te nemen en mee te stappen in de optocht van de onwilligen. Dan tekenen zich bereidwillig de diverse verhaallijnen af.

Voor de afwezige dromer die naar de hemel staart en de sterren telt teneinde de slapeloze nacht te verdrijven, is de maan niet langer de maan. Sterren fladderen als vlinders rond haar en worden door haar warmte aangezogen. Of is dit een verraderlijke list? Haar duistere muil kan net zo goed een zwart gat zijn dat als een kannibaal alles in zijn buurt verslindt. Of is het de schoot, de chora, de oorsprong van alle dingen, van hemel en aarde? Het kraambed van onze gedachten, fantasieën en verlangens vouwt zijn dekens open voor het toverpoeder dat uit de hemel neerdwarrelt. Vallende sterren nodigen ons uit om onze wensen kenbaar te maken. Maar wat kunnen we meer wensen dan deelachtig te zijn aan dit wonderbare schouwspel van een sterrenhemel?
Deze krabbel op papier is een notendop vol verrassingen, in één adem getekend, zonder tekst en uitleg of zonder verklarend woordenboek. Als een Hokku zet hij een kettinggedicht in gang dat door de toeschouwer vervolledigd wordt maar dat tot zijn blijdschap nooit beëindigd is.

De hengelaar die zijn aas uitwerpt in de vijver van het bodemloze is in wezen de ongekroonde dorpsfilosooof. Gezeten op de rand van de afgrond, riskeert hij net als Thales erin te tuimelen. Het lot van de homo metaphysicus is tragisch en hilarisch tegelijk. Hoe grenzeloos het geduld van de visser en hoe oneindig de lengte van zijn lijn ook zijn, hij hengelt tevergeefs naar zin in de poel van het leven. Op de bodemloze put van het Zijn brengt hij uitsluitend drijfzand naar boven. Daar valt niets te vangen, er zwemmen geen antwoorden rond. De wijze is hij die op de rand van de afgrond een zitplaats zoekt en tegen beter weten in zijn lijn blijft uitgooien naar wat er niet is. Daarom benijden we de hengelaar om zijn gemoedsrust. Voor de gevorderde visser is het niet meer belangrijk of hij al dan niet iets vangt. Aan de rand van het water zitten en verwachting simuleren volstaan. Zo ook de volleerde filosoof, die in de oneindigheid naar een antwoord speurt waarvan hij weet dat het zich nooit zal aandienen.

Alom is er de aantrekking van de afgrond. Wat bezielt eigenlijk de koorddanser om lopend over een dunne draad zijn leven te wagen? Bij gebrek aan begane grond is er voor de kleine mens geen keuze. Of hij wil of niet, hij moet ‘gevaarlijk over-lopen’. De vleugels van de engelen zijn afgeknipt. Ze zijn nog slechts een verzamelobject, een curiosum of een trofee die de muren versiert zoals een uitgestorven vlindersoort, opgespeld als een herinnering aan het verlies. We moeten verder zonder de engelen. De goden hebben ons in de steek gelaten. We moeten ons ongezekerd over de afgrond wagen. Tenzij we spijbelaars zijn die onwillig gezeten op het muurtje van het marktplein alleen maar toekijken, moeten we duizelingwekkende acrobatieën uithalen boven een peilloze diepte. Van een ondefinieerbaar begin naar een even raadselachtig einde gehoorzaamt eenieder aan de nutteloze opdracht de overzijde te bereiken. De koorddanser is een vrolijke variant van Der Wanderer über dem Nebelmeer. Absurd of een beetje lachwekkend hangt het papieren figuurtje daar in de lucht, geklemd aan het dunne garen van het leven met niets anders om zich aan te hechten. Precair, alsof ieder bestaan aan een zijden draadje hangt dat zo door Atropos kan doorgeknipt worden.

De koorddanser staat er alleen voor. Hoe taai is hij? De olifant in zijn rechtlijnige mars of de vogel in zijn ongeordende vlucht zijn zich van geen kwaad bewust. Vogels vormen een zwerm, olifanten een kudde, bloemen een veld. Zij verdwijnen in de figuur die zij gezamenlijk vormen. De anonimiteit is hun schoonheid. Zij gaan op in de stroom van het leven, onbeduidende dienaars van een naamloos principe dat hen overstijgt. Ze lijken de last van het leven niet te dragen en wekken al evenzeer onze afgunst op. Schijn bedriegt, want af en toe laten zelfs de bloemen hun knop hangen en buigen ze door onder de last van hun schoonheid.

Binnen zonder kloppen. Iedere tekening of installatie is een fragiele deur die wacht om opengeduwd te worden. Zij geeft haar weerstand gewillig prijs voor de welgekomen gast die behoedzaam de sleutel omdraait. Bladzijde na bladzijde ontvouwen de verhalen zich, soms naïef, soms grappig, soms schrijnend, soms tragisch, maar steeds herkenbaar achter hun ogenschijnlijke eenvoud. Tussen de lijnen door staat veel te lezen. Of beter, zowel in het wit tussen de lijnen als in het zwart van de lijnen zelf valt iets avontuurlijk te beleven.
Want er is een tweede verhaallijn die steeds de eerste doorkruist. Het is het verhaal van de getekende lijn zelf, de lijn als verhaal.

Wat geen naam heeft, wordt gestameld. Dwars over het witte blad, van links naar rechts, op twee derde hoogte loopt een lijn, niet helemaal recht, niet helemaal krom. Halfweg wordt ze onderbroken door een zwart gearceerde omtrek, niet helemaal vlek, niet helemaal paard. Meer is er niet dan deze elementaire beeldmiddelen: een lijn en een vlek, elk met hun eigen geaardheid. Zonder de lijn zou de vlek niet spreken en zonder de vlek zou de lijn in zichzelf opgesloten zijn. Zij geven elkaar een naam. De vlek wordt beweeglijk, een afwachting en een verwachting na een lange tocht. De lijn wordt plots een universum van onbeperkte vrijheid. Achter de horizon of aan de overzijde van de heuvelrug ligt (misschien) de groene weide, de uitgestrektheid van de prairie die nooit ontgonnen werd. Of is het gras altijd groener aan de overzijde en maakt de ontgoocheling deel uit van de Wanderer die schoorvoetend zijn weg in de wereld zoekt?

Dit is de kunst van het ongekunsteld tekenen. Ook een garendraad vormt een getekende lijn en een papierknipsel blijft trouw aan dezelfde argeloosheid. Het is tekenen pur sang, tot het uiterste punt van het weglaten gebracht, waarachter enkel nog het verdwijnen wacht. Zo dicht mogelijk bij het bijna-niets blijven is de kunst. Met hoe weinig is het mogelijk hoe veel te vertellen? De spaarzaamheid van de middelen en de rijkdom van het verhaal gaan hand in hand. Uit bijna-niets ontstaat ‘iets’ dat zich even handhaaft en zijn verhaal van vlees en bloed schrijft om zich vervolgens weer terug te trekken. De kwetsbaarheid van wat niet weet te leven vindt zo een echo in het bescheiden meevoelen dat in de getekende lijnen gegrift staat. De ontklede tekenstijl vormt een solidaire samenspraak met dat andere verhaal. Twee verhaallijnen ontmoeten elkaar en worden elkaars spiegelbeeld in hun afkeer van uiterlijk vertoon.
Zonder opsmuk of maskerade ligt de wereld in al zijn naaktheid voor ons uitgestald. De waarheid is altijd naakt. De onwilligen zijn wij, die weigeren haar schoonheid te zien.

Francis Smets